Trippenhuis, Amsterdam
Trippenhuis, Amsterdam

Verslagen

Tweede leven voor interieurs

16-06-2010

De Britse architectuurhistoricus John Harris is gefascineerd door de handel en wandel van historische interieurs. In de Amstelkerk in Amsterdam, waar 31 oktober de tweede Theo Lunsingh Scheurleerlezing georganiseerd door de Stichting plaatsvond, vertelde hij hoezeer stijlkamers op drift zijn. De volgende dag ging hij daar in een gesprek voor het tijdschrift de Architect nader op in.

Meubels en interieurdelen worden na sloop vaak van elkaar gescheiden, om vervolgens terecht te komen in een nieuwe context. Geen enkele stijlkamer is authentiek, stelt John Harris. Voor de lezing putte hij ruimschoots uit zijn onderzoek naar het ontstaan en de geschiedenis van stijlkamers, dat hij documenteerde in het boek Moving Rooms, the trade in architectural salvages. Hij verslaat hierin hoe lambriseringen, schoorsteenmantels, vloeren, deuren en kozijnen, sanitair of zelfs complete kamers uit hun oorspronkelijke architectonische context zijn weggenomen. Soms duiken deze op in een nieuwe omgeving waarin ze tot hun recht komen, maar vaker zijn ze verhandeld om in een totaal andere context of cultuur te worden opgenomen.

Voor antiquairs bleek de handel in interieuronderdelen een lucratieve business. Een belangrijke impuls hiervoor was de verzameldrift van rijke Amerikaanse industriëlen, die in de eerste helft van de 20ste eeuw complete Europese landhuizen verscheepten en herbouwden ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Was het aangekochte interieur niet ‘klassiek’ genoeg, dan werden er meubels en accessoires bij gezocht die wel de gewenste sfeer opriepen.

‘Bits and pieces thrown together’, aldus Harris. Hij concludeert dat de meeste ‘period rooms’ uit samengeraapte delen bestaan en dat er vaak nepplafonds en vloeren bij zijn gemaakt, omdat originele onderdelen simpelweg ontbreken. Ook musea hadden de neiging stijlkamers mooier te maken dan ze in werkelijkheid waren. Musea zoals het Centraal Museum in Utrecht, het Stedelijk en het Rijksmuseum in Amsterdam kwamen volgens Harris vaak op dezelfde manier als particulieren aan de stijlkamers: via antiek- en kunsthandelaren. ‘Deze stelden een collectie of stijlkamer samen en verkochten deze aan musea. Die handelaren deden vaak maar wat: waar de delen vandaan kwamen wist niemand, de herkomst of ouderdom werd nauwelijks onderzocht en stond nergens geregistreerd.’, weet Harris die zijn roeping vond tijdens een vakantiebaantje in een antiekhandel.

 ‘Een authentieke stijlkamer is een onhaalbaar ideaal, een utopie’, bromt Harris. Op de vraag of musea daarom geen stijlkamers meer moeten tonen, twijfelt hij. ‘Je kunt het vergelijken met de afgietsels van antieke Griekse beelden. Daar zijn we blij mee, omdat we het echte werk niet meer kunnen zien. Maar musea zouden wel de authenticiteit van de stijlkamers kunnen verbeteren door hun objectarchieven uit te breiden, te verbeteren en open te stellen.’

Bovendien is het volgens Harris beter authentieke interieurfragmenten op zichzelf te laten zien, in plaats van ze aan te vullen met nepplafonds en meubels. ‘Het verhaal wat zo’n taartpunt uit een kamer vertelt is vele malen spannender en educatiever dan een fantasie-interieur.’ Echter, er zit ook een positieve kant aan: oude elementen blijven zo wel bewaard.en krijgen een nieuw leven: sloop ligt dicht bij redding. Harris vreest dat moderne interieurs een minder goed lot beschoren is.

Historische interieurs zijn volgens hem altijd een persoonlijke interpretatie van de geschiedenis, net zoals moderne interieurs dat zijn van deze tijd. De historicus vraagt zich daarom af wat er overblijft als moderne gebouwen straks worden gesloopt. Zijn er bij de antiekhandel van de toekomst liften, cv-ketels en roltrappen te vinden? Is het te voorkomen dat interieurdelen de hele wereld over reizen? Harris meent van niet. De reden daarvoor is dat interieurs niet als op zichzelf staande werken worden beschouwd: ‘Interieurs zouden als entiteit moeten worden bestudeerd. Zeker moderne interieurs lopen een risico om vergeten te worden, omdat ze zo snel veranderen, iedere vijf tot tien jaar.’

Kan regulering de sloop van waardevolle interieurs voorkomen? Harris: ‘In mijn optiek is het nodig het bewustzijn rondom interieurs te verhogen. Wetten en regels zijn geen oplossing. Als niemand zich bewust is van de verhalen die interieurs vertellen en dat die het waard zijn behouden te worden, heeft dat geen enkele zin.’

De interieuronderdelen die bij musea in de depots liggen, zijn veelal niet gedocumenteerd. Als musea bestaande en aangeboden interieurdelen en meubels nauwkeurig categoriseren en archiveren, kan er volgens Harris een chronologisch archief worden aangelegd: ‘waardoor je een goed beeld krijgt van de verandering van smaak.’ De historicus pleit daarnaast voor het online zetten van deze archieven, zodat een collectief interieurdepot ontstaat. ‘Zo kunnen musea zien wat collega’s hebben en interieurdelen uitwisselen, zodat stijlkamers worden aangevuld waar nodig.’

 

Marit Overbeek, redacteur interieur&design, de Architect, uitgave SDU

www.dearchitect.nl