

01-10-2006
Op weg naar de bovenste verdieping van het Theater Instituut aan de Herengracht te Amsterdam kregen de deelnemers aan de door de SHNI georganiseerde studiemiddag de smaak goed te pakken. Het onderwerp van deze op vrijdag 15 september 2006 gehouden bijeenkomst was namelijk 'stucwerk', waarbij veel aandacht werd besteed aan de stucwerkers Ignatius (1685-1732) en zijn zoon Jan van Logteren (1709-1745). Gezien de schitterende stucwerkdecoraties in de gang en het trappenhuis van de hand van genoemde kunstenaars had de locatie dus niet beter gekozen kunnen worden.
Maar voordat de heer E. Munnig Schmidt, medeauteur van het onlangs uitgegeven boek over 'Ignatius en Jan van Logteren', waarvoor de in 2002 overleden P.M. Fischer tien jaar lang materiaal bijeen heeft gebracht, vertelde over het prachtige werk van deze broers, kregen we eerst wat meer te horen over de technische aspecten van stucwerk. Stucwerkspecialist Hans Geerken, werkzaam bij de Nederlandse Ondernemersorganisatie van Afbouwbedrijven (noa) ging uitvoerig in op de aanpak en werkwijzen van het vak van ambachtelijk stucwerk.
Hoe complex dat is, blijkt wel uit het feit dat daar een zevenjarige opleiding voor staat. Met het echte ontwerp kan pas begonnen worden na een aantal voorbereidende werkzaamheden, zoals het aanbrengen van een pleisterdrager en pleisterlaag. Van belang is de samenstelling van de pleisterlaag van kalk met verschralings- of vulmiddel, waardoor uitzetting en krimp kan worden opgevangen. Thans worden er moderne materialen gebruikt, maar het motto 'dun smeren-dik verdienen' blijft nog steeds actueel! Geerken zette helder uiteen hoe het basisstucwerk verder wordt bewerkt, de wijze waarop lijsten en ornamenten worden aangebracht, rechtstreeks in het werk of met elders voorbereide onderdelen die later worden opgeplakt. Ook kwam aan de orde hoe bestaand werk wordt gerestaureerd door het met de hand bij te werken of door het vervaardigen van afgietsels en contramallen van rubber/siliconen. Daarna trakteerde Munnig Schmidt de aanwezigen voornamelijk op beelden van de buitenplaats Oostermeer bij Ouderkerk a/d Amstel, welke in 1728 geheel ontworpen en gebouwd werd door Ignatius van Logteren, geassisteerd door zijn zoon Jan. Zij voltooiden hier als steenhouwers, beeldsnijders en stucwerkers een 'Gesamtkunstwerk'. Munnig Schmidt toonde aan dat er onmiskenbare stijlverschillen bestaan tussen vader en zoon. Overtuigend is de oudere Ignatius te herkennen aan klassiekere, formelere vormen, de ornamenten nog in strakke Lodewijk XIV-stijl en beïnvloed door Daniël Marot.
Enig vuurwerk, discussiepunten en 'breinbrekers' leverde de laatste spreker, de heer W.V.J. Freling. Hij gaf een overzicht van het stucwerk in Amsterdam in de eerste helft van de 18de eeuw, met thema's als inspiratiebronnen, ontwerppraktijk, uitvoering, etc. Illustratief was een uitgewerkt overzicht van namen van stucwerkers/beeldhouwers en adressen van bewaard gebleven stucwerk. Freling twijfelt aan diverse toeschrijvingen aan kunstenaars door P.M. Fischer en wees erop dat in steden als Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht in het begin van de 18de eeuw talrijke Italiaanse stukadoors aan het werk zijn geweest. Merkwaardig en niet te rijmen is dat dit volgens bronnen en literatuur in Amsterdam maar sporadisch het geval was. Ook het toeschrijven aan één enkele kunstenaar doet geen recht aan de vermoedelijke aanwezigheid van stukadoorsploegen die wanden en plafonds bewerkten. De structuur van het stukadoorsbedrijf is dus voorlopig onderbelicht gebleven en zou een interessant onderzoeksthema kunnen zijn.
Na de lezingen kon het gezelschap genieten van de rest van het Theater Instituut, dat in 1638 naar ontwerp van Philips Vingboons is gebouwd. Bij een grote verbouwing in 1728-1733 werden de wanden en plafonds in de voor- en de tussenkamer beschilderd door Isaac de Moucheron en Jacob de Wit en werd het meeste stucwerk door de Van Logterens aangebracht. Maar daar bleef het niet bij. Voor deze speciale gelegenheid was het mogelijk nog twee andere interessante grachtenpanden te bekijken. Het privé bewoonde Keizersgracht 319, gedateerd 1639, is eveneens ontworpen door Philips Vingboons. Het interieur is rond 1700 vernieuwd. Verrassend zijn in de gang de allegorische figuren en bustes in rondboognissen, waar de stucwerk-draperie, de leeuwenpoten en andere details over de randen van uitzonderlijk hoge marmeren platen hangen.
In het pand Herengracht 475 bevindt zich, volgens velen, het mooiste trappenhuis van Amsterdam. Het huis (1665) werd in 1733-1736 ingrijpend verbouwd. Zowel het toen op de zandstenen voorgevel aangebrachte beeldhouwwerk als het stucwerk in het interieur wordt toegeschreven aan Jan van Logteren (1736). In de gang bevindt zich een plafond met Prudentia en Minerva, boven de gangdeuren zijn nissen met putti en medaillons met klassiek geïnspireerde borstbeelden aanwezig, en in de hal de levensgrote beelden van Venus en Adonis. Het trappenhuis toont het toppunt van stucwerkkunst met in de nissen Apollo, Clio en Melpomene.
Het was een openbaring om achter deze normaal niet toegankelijke gevels te mogen kijken. Een spannende ervaring rijker ging ieder zijns weegs.
Elisabeth Stades