

01-04-2008
Monumentale wandkunst heeft een directe relatie met de architectuur en is daardoor relatief kwetsbaar. Het Instituut Collectie Nederland wil samen met haar zusterinstellingen de RACM, het RKD en de Rijksgebouwendienst aandacht vestigen op monumentale kunst uit de wederopbouwperiode (1946-1965). Gebouwen uit deze periode (en daarmee de monumentale kunst) worden momenteel in hoog tempo gesloopt. Daarmee dreigt een bijzonder deel van het cultureel erfgoed te verdwijnen.
De wederopbouwperiode is in verschillende opzichten een interessante periode. In korte tijd verrees Nederland uit de puinhopen. Nieuwe materialen en technieken, maar ook nieuwe bouwkundige inzichten werden toegepast. Deze inzichten moesten leiden tot betere woon- en leefomstandigheden. Hierin past ook het streven naar synthese van architectuur en beeldende kunst. De kloof tussen kunst en samenleving moest worden overbrugd. Dit ideaal werd ondersteund door de overheid met de instelling van de percentageregeling in 1952, die ten grondslag ligt aan deze bloeiperiode van monumentale kunst. Een kunst die hoop en optimisme ademt. De kerk Het Steiger was één van de eerste Rotterdamse kerken die, na verwoesting tijdens de oorlog, werd herbouwd. Dat gebeurde in 1958-1959 naar een ontwerp van de architecten H.M. en E.H.A. Kraaijvanger. Het exterieur en ook de plattegrond van deze naoorlogse kloosterkerk doen op het eerste gezicht denken aan vroegchristelijke en Romaanse kerken. Het interieur is echter verrassend licht en modern. Alle belangrijke ruimtes in het complex staan met elkaar in open verbinding, vanuit de kerkruimte is er direct zicht op de kloostergang en binnentuin. Net als vroegchristelijke en middeleeuwse kerken is deze kerk rijkelijk voorzien van monumentale kunstwerken, het is een echt Gesamtkunstwerk. Ook de inrichting is volledig meegenomen in de integrale benadering. Verschillende elementen in het interieur zijn ontworpen en uitgevoerd door kunstenaar Ad Noyons. Hij maakte de bijzondere glas-in-staal-deuren, het doopvont, de kruiswegstaties en de altaarkruizen. Theo Mols vervaardigde de mozaïeken aan zowel het exterieur als het interieur van de kerk. Berend Hendriks tenslotte maakte de indrukwekkende glas-in-betonramen. Glas-in-beton was destijds een nieuwe techniek. Hierbij wordt gebruik gemaakt van dik gekleurd glas, dat als een transparant mozaïek in beton wordt gevat. Met deze techniek kunnen dragende muren geconstrueerd worden, waarbij architectuur en beeldende kunst letterlijk één worden. Een tweede voorbeeld is het Provinciehuis van Gelderland (1950-1955). Ook hier een associatie met middeleeuwse architectuur, het gebouw doet in hoofdvormen denken aan een middeleeuwse burcht, hetgeen wordt versterkt door de verbinding met de middeleeuwse Sabelpoort. Dit complex was het eerste grote overheidsgebouw dat na de oorlog gebouwd werd. Architecten waren J.J.M Vegter en H. Brouwer. De interieurverzorging was in handen van T.T. Deurvorst en A.M.W.J. Hammacher (destijds directeur van het Kröller-Müllermuseum) trad op als adviseur Beeldende Kunsten. Hammacher schakelde een groot aantal kunstenaars in. Wessel Couzijn maakte de reliëfs rond de binnenplaats. Twee grote natuursteenmozaïeken aan weerszijden van de Zuidgalerij zijn van de hand van Wally Elenbaas. Titus Leezer maakte de bronsreliëfs langs de opgang naar de indrukwekkende Statenzaal en ook de natuursteenreliëfs aan de buitenzijde van de poort zijn van zijn hand. Boven de deuren naar de kamers zien we sgraffito's door Simon Erb. Wandtapijten werden ontworpen door Lex Horn en Seuphor en Donk. En dit is slechts een greep uit de vele kunstwerken die het gebouw sieren.
Deze twee gebouwen tonen op fabelachtige wijze de geslaagde synthese van architectuur, beeldende kunst en toegepaste kunst. Daarbij werden ambacht, vakmanschap en traditionele materialen moeiteloos gekoppeld aan nieuwe technieken en materialen en nieuwe bouwkundige inzichten. De kunstwerken vormen een eenheid met de architectuur, accentueren deze en geven het gebouw een extra dimensie. Ook de inrichting draagt hieraan bij: van lamp tot bloempot en van deurknop tot altaarkruis, alles is op elkaar afgestemd. Het resultaat is een harmonieus geheel, dat na ruim een halve eeuw nog steeds fascineert.
Rutger Morelissen, kunsthistoricus ICN