Huis Schuijlenburch, Den Haag
Huis Schuijlenburch, Den Haag

De Speling van het licht.

Glas-in-lood in Den Haag rond 1900

 

Uitgeverij De Nieuwe Haagsche i.s.m. K&WH, Den Haag 2009
200 pp, rijk geïllustreerd, € 14,95
ISBN 9789460100277 

 

Glas-in-lood wordt sinds de middeleeuwen in Nederlandse interieurs toegepast, in eerste instantie voornamelijk in kerkinterieurs. Aanvankelijk diende het om met kleine stukjes glas toch grote oppervlakken te kunnen bedekken. Aan het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw was in Nederland sprake van een ware bloeiperiode. De loodlijnen - noodzakelijk hulpmiddel om de stukjes glas met elkaar te verbinden - waren inmiddels een belangrijk onderdeel van de decoratieve compositie geworden. Vooral in de Hofstad werden bovenlichten, tochtpuien, serres, lichtkoepels en portiekramen uitgevoerd in sierlijke Art Nouveau motieven of strakke Art Deco patronen.

Rond 1900 werden vooral florale motieven in Art Nouveau populair. Voorbeelden zijn onder meer te vinden in de herenhuizen en winkelpanden in het stadscentrum, zoals het woonhuis van architect J.P.J. Lorrie aan het Smidswater, maar ook op de Laan van Meerdervoort en in het Statenkwartier. Een zeer spectaculair voorbeeld is de villa Hejmo Nia (Ons huis) aan de Parkweg, in 1906-1908 gebouwd voor het echtpaar Broese van Groenou-Wieseman. Boven de entree bevindt zich een boograam met gebrandschilderde voorstelling van Wajangpoppen naar ontwerp van glazenier Eduard Kerling (1860-1923). Ook in het trappenhuis en de bovenlichten in vensters is glas-in-lood met een mengeling van traditionele motieven en Nieuwe Kunst ornamentiek verwerkt.

Geleidelijk werden de sierlijke, zwepende lijnen onder invloed van de Art Deco vervangen door een strakke belijning en geometrische motieven. Uiteraard mocht het indrukwekkende glas-in-lood in het trappenhuis van De Bijenkorf in deze categorie niet ontbreken. Maar ook minder bekende hoogstandjes zijn vermeld, zoals de bovenlichten en portiekramen in sociale woningbouw in Moerwijk, typerend voor de Nieuwe Haagse School.

Veel cultuurhistorisch belangrijke voorbeelden zijn echter in de loop der jaren verloren gegaan, omdat glas niet als wezenlijk onderdeel van architectuur of interieur werd beschouwd, maar als vervangbaar. Een monumentenstatus geldt soms wel voor de gevel, maar niet voor de ramen. Sinds het bekende overzichtswerk van Carine Hoogveld (red.), Glas-in-lood in Nederland, 1817-1968 ('s-Gravenhage 1989) zijn over het onderwerp nauwelijks kunsthistorische studies verschenen. Gedegen inventarisaties op lokaal niveau ontbreken nog.

De Haagse kunsthistorici Andrea Kroon en Audrey Wagtberg Hansen vonden het hoog tijd om aandacht te vragen voor de schoonheid en het cultuurhistorisch belang van glas-in-lood, te beginnen in de eigen regio. In een nieuwe publicatie, De Speling van het licht. Glas-in-lood in Den Haag rond 1900, belichten zij maar liefst 67 bijzondere locaties: 'het topje van een schitterende ijsberg'. Lezers kunnen zo een kijkje te nemen in interieurs van herenhuizen en bedrijven, die normaliter alleen voor de bewoners zichtbaar zijn.

Helaas is in veel gevallen de naam van de uitvoerend glazenier niet gedocumenteerd en inmiddels vergeten. Het boekje is een hommage aan deze groep anoniem gebleven ambachtslieden.

 


De speling van het licht maakt deel uit van een nieuwe reeks zakboekjes: Den Haag rond 1900. In latere deeltjes zullen dezelfde auteurs andere onderbelichte aspecten van het Haagse interieur in de schijnwerpers zetten. Hierbij is vooral aandacht voor 'verborgen', 'verloren' en 'vergeten' schoonheid.