

01-12-2001
De baywindow van het bakstenen woonhuis met zijn warme natuurstenen en messing panelen en zijn royale ramen gevat in staal doen aan de buitenkant al een interessant interieur vermoeden. Bijzondere onderdelen van het interieur zijn bijvoorbeeld: de geheel met geaderd, wit marmer beklede entreehal met het volledig glazen plafond en de verchroomde kapstok met glazen achterwand; en daarop aansluitend de ruime traphal met drie manshoge boogvensters. De woonruimte strekt zich uit tot en met het leefterras dat beschutting krijgt door de aangrenzende verwarmde kas en dat uitzicht biedt over de lager gelegen, romantisch aangelegde tuin.
Het huis is niet bekend uit de literatuur, toch verdient het het zeker om de status van rijksmonument te krijgen omdat het in veel opzichten uniek is. Niet alleen bleef het ensemble van huis, tuin en interieur bewaard. Het interieur als zodanig is vrijwel onaangetast gebleven als een samenstel van authentieke vertrekken uit de jaren dertig. Zo zijn keuken, dienkamer en bijkeuken nog uitgerust met Bruynzeel keukenkasten (ooit turkoois) met de karakteristieke voorraadschuitjes, een vuilstortkoker en geel granito aanrecht. Al het sanitair met toebehoren van verchroomde handdoekenrekken en spiegels is nog aanwezig. De enorme schotelvormige plafonnière in de voorkamer voor indirecte verlichting en de bronskleurige gordijnroeden doen nog altijd dienst. Zelfs het bij H. Pander en Zonen op maat gemaakte, zeegroene kleed in de hal is er nog.
Het huis werd gebouwd voor de fabrikant H. Buisman en zijn zuster en staat aan het water waar vroeger een grote bedrijvigheid was van binnenvaartschepen die er hun vracht laadden en losten. Dat Buisman tot de rijkste mensen van het dorp behoorde blijkt ondermeer uit de omvang van zijn huis en de aangrenzende tuinmanswoning waar drie bestaande panden voor moesten wijken. Ook uit het feit dat hij als enige in de straat een grote kastanjeboom voor zijn huis wist te handhaven blijkt dat hij een invloedrijk man was. Hij liet zich dan ook een huis van grote allure aanmeten. Het omvat een souterrain, twee verdiepingen en een ruime bergzolder. Het souterrain heeft een fietsenberging, een kolenhok, een ketelruimte, een provisiekelder, een wijnkelder en een heuse betonnen schuilkelder. Op de eerste verdieping liggen de entreehal, het kantoor met kluis, de centrale traphal, de woonruimte en de eetkamer, de pantry, de keuken en de bijkeuken. Op de tweede bevinden zich drie ruime slaapvertrekken, waarvan een met inloopkast, en twee kleinere vertrekken waarvan een als dienstbodekamer in gebruik was.
Het interieur is een voorbeeld van wat later 'shake-hands' architectuur is gaan heten: gebouwen die moderne bouwmaterialen en constructietechnieken als staal en beton, en traditionele, zoals baksteen en eikenhout, in zich verenigden. Het gebouw vertoont parallellen met de woonhuizen van architecten zoals A. Boeken, de oprichter van groep 32, bekend van de Apollohal met directeurswoning in Amsterdam. Onderzoek naar dit bijzondere interieur kan bijdragen aan de kennis over de 'shake-hands' architectuur, waarover nog bijzonder weinig bekend is.
Barbara Laan